Speels onderweg zijn

Voor kinderen is onderweg zijn nooit zomaar een verplaatsing van A naar B. Het is een beleving op zich. Op stap zijn, dat is ook de buurt ontdekken, babbelen met je vrienden, slalommen rond paaltjes en van de ene tegel naar de andere springen. Die beleving is van groot belang, want het bepaalt in grote mate of kinderen de route al dan niet zullen gebruiken. 

Kunnen, mogen, durven en willen 

Mobiliteit van kinderen is fundamenteel anders dan die van volwassenen. Zelfstandig op pad gaan, dat is een complex samenspel van die verplaatsing alleen te kunnen, mogen, durven én graag te willen doen (meer info vind je terug op Loslopend Kind). De toestemming om ergens alleen naartoe te gaan hangt – zeker bij kinderen onder de 12 jaar – af van een volwassene. Wat mag en niet mag, hangt af van de verplaatsingsafstand en komt vooral voort uit de inschatting van wat er onderweg fout kan gaan. Pas als de omgeving voldoende verkeersveilig en duidelijk is, zullen kinderen alleen op pad kunnen en mogen gaan. Maar of kinderen dit dan ook effectief willen, hangt in grote mate af van de beleving onderweg. Kinderen kiezen voor routes waar je onderweg iets ‘meemaakt’ of waar je simpelweg plezier kan beleven. Die beleving maakt het onderweg zijn aantrekkelijk.

Veiligheid en duidelijkheid als randvoorwaarden

Voor de zelfstandige mobiliteit van kinderen is de auto vaak een boosdoener. Wegen met veel doorgaand autoverkeer zoals een gewestweg vormen letterlijk barrières die kinderen niet (alleen) kunnen oversteken. Hoge verkeerssnelheden en druk autoverkeer zijn de voornaamste redenen waarom kinderen niet alleen op pad kunnen, mogen en durven gaan. Op pad kunnen en mogen gaan, vormt dus een eerst voorwaarde voor zelfstandige mobiliteit. Maar wat is hiervoor dan precies nodig?

woonerf

Kindvriendelijke omgevingen

Kinderen hebben nood aan publieke ruimten die maximaal gericht zijn op de mens. Omgevingen waar niet de doorstromings-, maar de verblijfsfunctie centraal staat. Woonomgevingen en omgevingen waar veel kinderen komen (pleinen, schoolomgevingen, jeugdwerksites …) zijn maximaal autovrij of autoluw ingericht. Doorgaand verkeer wordt er tot een minimum beperkt, en er geldt een maximumsnelheid van 30 km/h. 

lagere schoolkinderen alleen op pad langs een trage weg

Veilige routes

Naast kindvriendelijke omgevingen, zijn ook veilige routes van belang. Kinderen moeten zich op een veilige manier van huis naar school of hun hobby kunnen verplaatsen. Dit vereist een fijnmazig netwerk van wandel- en fietsroutes dat maximaal is losgekoppeld van het wegennet. Autovrije paden en doorsteken verdienen de voorkeur. Daar waar belangrijke gebruiksroutes overlappen met wegen voor gemotoriseerd verkeer, krijgt de zachte weggebruiker voorrang (bv. fietsstraten en -zones). Op punten waar de route een drukke weg kruist, zorgen kwaliteitsvolle, brede oversteekplaatsen ervoor dat kinderen veilig kunnen oversteken.

regenboogzebrapad

Duidelijke inrichting

Een publiek ruimte op maat van kinderen heeft een duidelijke en vergevingsgezinde inrichting. Kinderen bevinden zich in een continu leerproces. Ze hebben nood aan houvast als ze onderweg zijn. Dit betekent dat de inrichting kinderen de tijd moet geven om de situatie te kunnen lezen en te begrijpen, én dat de gevolgen van eventuele fouten minimaal zijn. Denk bijvoorbeeld aan brede voet- en fietspaden, uniformiteit op vlak van materialisatie, signalisatie en kleurgebruik, maar ook het wegwerken van obstakels die het zicht van kinderen belemmeren. 

Meisjes onderweg langs trage doorsteek

Sociale veiligheid

Ten slotte speelt naast de verkeersveiligheid ook sociale veiligheid een rol. De mate waarin kinderen alleen op pad durven en mogen gaan, hangt ook af van de sociale risico’s die daarmee verbonden zijn. Hebben kinderen en hun ouders vertrouwen in de andere mensen die ze (kunnen) tegenkomen, of mijden ze plekken door enge mensen of omdat ze er zich niet welkom voelen?

Belevingsvolle routes

Voor kinderen zijn verplaatsingen nooit louter functionele, snelle verplaatsingen van punt a naar punt b. Voor hen is onderweg zijn vaak een beleving op zich. Het is een manier om te spelen, af te spreken, wat rond te hangen, te ontdekken. Dat aspect wordt vaak vergeten, maar het is een cruciaal onderdeel van de mobiliteitsbeleving van kinderen. Juist omdat kinderen onderweg zijn koppelen aan elkaar ontmoeten, spelen en ontdekken, maken die verplaatsingen dat kinderen hun vertrouwde leefwereld steeds meer kunnen uitbreiden. 

Wanneer omgevingen en routes voldoende veilig zijn, kan je werken aan de beleving van het onderweg zijn. Wandelen en fietsen in een autovrije of autoluwe omgeving is voor kinderen niet alleen veiliger, het is ook gewoon een stuk aangenamer. Zowel de omgeving in haar geheel als de elementen langs de route spelen een rol in de mobiliteitsbeleving van kinderen. Een pad door het bos, een bruggetje over het water, een ‘geheim’ wegje door de struiken, een veldwegje langs de paarden … Het is allemaal een pak leuker dan een saai fietspad langs een drukke steenweg. 

Op cruciale plekken langs de route kunnen stapstenen de beleving onderweg vergroten. Stapstenen zijn kleine plekjes in de publieke ruimte waar kinderen kort kunnen halt houden, met vrienden kunnen afspreken, kunnen spelen (zie 8-80-800). Denk bijvoorbeeld aan een groen straatpleintje met een bankje en een liggende boomstam, een voetpadverbreding met een spelprikkel, of een parcours van boomstamschijven langs een trage weg. Met kleine ingrepen kan je doorgaans al een groot effect hebben op de beleving langs de route: een combinatie van een speels element met een zitelement en een belevingselement zijn al voldoende om een kwalitatieve stapsteen te creëren. Bovendien zijn er vaak al één of twee elementen aanwezig (bv. een kapelletje en een oude boom langs een veldwegje), waardoor de ingreep echt minimaal kan zijn.