Tieners lijken een moeilijke doelgroep om te bereiken met een participatieproject. Hoe vind je ze? Hoe pak je het aan? Welke methodieken gebruik je? Met deze tips & tricks kan je concreet aan de slag.
Koppel participatie aan fases in het beleidsproces
Om een optimale impact en effect te hebben met jouw tienerproject, moet je de inspraaksessies nauwgezet inplannen en koppelen aan het beleids- of ontwerpproces. Participatie met tieners is op dit punt niet anders dan met kinderen, jongeren en volwassenen.
Hoe ga je nu concreet aan de slag om een inspraaktraject in te plannen? Eigenlijk moet je tieners minimaal op drie sleutelmomenten van het ontwerp- of beleidsproces betrekken:
- In een vroege fase, bij de projectdefinitie: dan worden de contouren van het project vastgelegd en kan inspraak dus mee sturen welke krijtlijnen er worden vastgelegd.
- Wanneer er een eerste voorstel of ontwerp van het project is, zoals schetsen of een voorontwerp bij een ruimtelijk project.
- Na goedkeuring van het definitieve project koppel je terug wat er met de input van de tieners is gebeurd.
Rechtstreekse dialoog
Het is altijd interessant om als eindpunt van een fase of traject een ontmoeting met de project- of beleidsverantwoordelijke of de ontwerper te organiseren, waarbij de tieners hun bevindingen voorstellen. De voorwaarde is dat de tieners goed inhoudelijk worden voorbereid, en dat ze tijdens de inspraak iets concreet en praktisch hebben gemaakt als houvast voor de presentatie: een poster, collage, maquette, kijkdoos ... Zo voelen ze zich voorbereid op de komst van de beleidsmakers (zie bijvoorbeeld in de Jonge Wegweterstrajecten).
Bij een rechtstreekse dialoog tussen tieners en het bestuur kunnen jongeren onmiddellijk feedback krijgen op ideeën of voorstellen. Ze voelen zich erkend als burger en leren hoe beleid werkt. Het beetje ‘gezonde stress’ dat tieners daarbij kunnen hebben, kan bovendien sterk dynamiserend werken in een traject. Ze worden aangesproken op hun verantwoordelijkheid. Niet zelden komt het voor dat ook groepen tieners die aanvankelijk niet echt betrokken leken, inhoudelijk (of verbaal) toch nog verrassend sterk uit de hoek kunnen komen tijdens een voorstelling of dialoog met het bestuur.
Hoe bereik je tieners?
Ga actief naar tieners toe
Eigenlijk is er maar één basistip: Wacht niet tot ze komen. Ga actief naar tieners toe, en zoek ze waar ze potentieel te vinden zijn. Ga dus na welke tieners in de omgeving kunnen zitten van het ruimtelijk project en probeer die ter plekke te bereiken. Met een open oproep werken en tieners speciaal naar jouw sessie laten komen, is de kans op een goede opkomst niet groot. Ofwel ga je dus zelf de straat op (wat ook een uitstekende keuze kan zijn), ofwel benader je organisaties en netwerken die met tieners werken.
Hou rekening met de context
Hier volgen enkele contexten waar je tieners kan vinden. Elke context heeft voor- en nadelen om een bevraging op te zetten:
- Middelbare school: Deze gestructureerde context laat diepgaand werken toe en bereikt een breed scala aan tieners. Hiervoor is het evenwel belangrijk dat je de school en richting(en) doordacht uitkiest en hierbij niet uitsluitend focust op de A-stroom. Leerkrachten uit richtingen dubbele finaliteit, arbeidsmarkgerichte richtingen of bijzonder onderwijs zijn vaak heel gemotiveerd en kunnen dit soms gemakkelijker integreren in hun lessen. De beperkte beschikbare tijd tijdens de lessen is dan ook één van de belangrijkste nadelen van het werken in een schoolcontext. Ook komen tieners niet noodzakelijk uit de omgeving van de school, waardoor ze minder voeling hebben met de plek.
- Klassieke jeugdwerk: Dit is soms de enige manier om tieners in een (klein) dorp te bereiken. Voordeel is dat jeugdwerkers doorgaans wel een goede kennis hebben van de ruimte in hun dorp, ook van minder formele plekken. Een lokale vereniging die met kansengroepen werkt (bijv. tieners met beperking, kinderen in armoede) is soms heel geïnteresseerd in een participatietraject. Nadelen aan de context van jeugdwerk zijn dan weer de minder gestructureerde, meer speelse en losse context, waardoor je niet altijd diepgaand kan werken. Bovendien zijn de tieners die je via het jeugdwerk bereikt niet altijd representatief voor de ruimere gemeente of stad. Ook langere inspraaktrajecten zijn vaker een uitdaging.
- Jeugdhuizen en instuifwerkingen: Via deze weg kan je doorgaans een breder doelpubliek (bijv. instuifwerking met kwetsbare jongeren). Deze context biedt soms ook kansen om persoonlijke en diepgaande gesprekken te hebben. Net als bij de jeugdwerkcontext is het wel moeilijker om gestructureerd met de tieners aan de slag te gaan. Het organiseren van inspraak in deze context is vaak ook wat meer arbeidsintensief.
- Publieke ruimte: Door letterlijk de straat op te gaan kan je rechtsreeks in contact komen met de tieners die de ruimte gebruiken, waardoor je vaak heel gedetailleerde (gebruiks)informatie over de plek verkrijgt. Een ander voordeel is dat het de inspraak veel tastbaarder maakt, omdat je ruimtelijke plannen kan bespreken in de bestaande, fysieke omgeving. Het aanspreken van tieners 'op de man af' vraagt natuurlijk wel wat lef. Ook kan je doorgaans niet echt in de diepte gaan (bv. toekomstdenken, ontwerpen ...), omdat het vaak beperkt zal zijn tot kortere (belevings)gesprekken.
- Jeugd- of tienerraad: Net als bij een schoolcontext heb je hier het voordeel van een gestructureerde setting. Bovendien hebben de meeste jeugdraden wel ervaring met vergaderingen en het geven van hun mening. Het nadeel is dan weer dat het eerder oudere, vaak mondige tieners zullen zijn die je hiermee bereikt (namelijk diegenen die deelnemen aan georganiseerd verenigingsleven). In die zin is de jeugdraad ook niet altijd een goede representatie van 'de tiener' in je stad of gemeente. Soms kan het - omwille van de drukke agenda - ook een uitdaging zijn om een inspraaktraject met de jeugdraad te organiseren.
- Open oproep: Het voordeel van werken met een open oproep, is dat tieners die via deze weg komen opdagen, vaak ook echt wel gemotiveerd zijn (tenzij ze moeten van hun ouders). Nadeel is echter de kans op beperkte opkomst en dus beperkte representativiteit. Ook moeten tieners elkaar eerst leren kennen, vooraleer je aan de slag kan. Het creëren van een veilige, vertrouwde setting is dus erg belangrijk.
Activeer (bestaande) netwerken en communiceer actief
Om zelf tieners bij elkaar te krijgen moet je hoe dan ook heel actief communiceren en hen rechtstreeks aanspreken. Als je nog niet zelf een netwerk hebt, schakel je best tussenpersonen in (zie bovenstaande contexten).
De volgende tips kunnen helpen om tieners bijeen te brengen:
- Vertrouwen:
Al van tevoren een goed contact hebben met de tieners is nodig. Ze moeten je kennen. Schakel eventueel een persoon in die de tieners al vertrouwen om hen warm te maken. - Ouders:
De ouders beslissen meestal of (jonge) tieners mogen komen. Zorg voor een goed contact met de ouders en informeer ze op voorhand waar de inspraak over zal gaan en over de praktische details. - Pizza en iets lekkers:
Zorg voor extra's en lok de tieners met gratis pizza, koffiekoeken, frietjes of ander lekkers. De beloning kan ook een event zijn, bijv. een plek kunnen bezoeken waar ze anders niet binnen kunnen ('achter de schermen van ...'). Ook bioscooptickets of kortingsbonnen kunnen tieners over de streep trekken. Zorg wel dat de 'beloning' in verhouding is en het gebeuren niet gaat domineren. - Snapchat-team paraat:
Bereid je voor om de tieners kort voor de sessie nog op te bellen, te whatsappen ... om ze zo te herinneren aan de samenkomst en om hen nog eens warm te maken. Zorg dus dat je hun contactgegevens hebt. - Sneeuwbaleffect:
Probeer via de tieners die je al hebt, andere tieners erbij te halen: broers, zussen, vrienden en vriendinnen, klas- en clubgenoten ... - Het juiste moment:
Tieners hebben soms een drukke agenda. Informeer je bij enkele tieners of het een goede periode en dag is. Mijd examenperiodes (en de weken voorafgaand) en belangrijke feestdagen.
Hoe pak je een inspraaksessie met tieners aan?
Toon authentieke interesse
Als tieners voelen dat je oprecht geïnteresseerd bent, is er vaak grote bereidheid om hun beleving of mening te delen. Je kan beter doorvragen of doorwerken op wat ze zelf aanbrengen als interesses en thema’s, dan vast te houden aan jouw methodiek of strakke vragenlijst. Werk dus eerder met semi-open vragenlijsten, waarbij je standaardvragen als reserve houdt. Pik in op wat er spontaan opduikt aan thema’s.
Bouw flexibiliteit in in je methodieken
Stem je methodieken af op de context
In een schoolse context kan het wat ‘droger’. In het jeugdwerk kies je beter voor actieve en creatieve methodieken. Terreinbezoeken zijn altijd een meerwaarde en worden vaak ook als ‘leuk’ en ‘vrij’ ervaren. En buiten zie je tieners ook bezig in hun eigenheid en dagelijkse doen en laten: wat hen bezighoudt, wat ze tegen elkaar zeggen, of wat ze eigenlijk doen (wat soms anders kan zijn dan wat ze vertellen …). Op terrein kan je ook observeren hoe andere mensen reageren op hun aanwezigheid.
Bouw je sessie doordacht op
Denk na over de opbouw en volgorde van de methodieken. Meestal is het een goed idee om van individueel naar collectief te gaan: je laat ze eerst zelf nadenken en een oefening doen. Dat voelt veiliger aan en zo kunnen ze zichzelf mentaal wat voorbereiden op een groepsgesprek. Als het wat stroever verloopt, kan je ook vragen naar wat ze opgeschreven, voorbereid of getekend hebben.
Zorg voor afwisseling
Dit is goed voor de dynamiek van de sessie of het interview en zo kan iedereen aan bod komen. Wissel bijvoorbeeld af tussen volgende methodieken: Actief vs. rustig, individueel vs. collectief, beschouwend vs. creatief, abstracte vs. concrete vraagstelling, digitaal vs. analoog.
Speel in op de dynamiek tijdens de inspraaksessie
Geef iedereen het woord
Zowel bij groepsstraatinterviews als in sessies heb je vaak sociale druk. Zo zijn er bij de tieners vaak invloedrijke ‘leidersfiguren’ die mee bepalen of er actief of eerder passief meegewerkt wordt. Wees je als interviewer of moderator bewust zijn van die sociale druk. Een gesprek met een nieuwe persoon kan je opstarten als: ‘Misschien is dat anders bij jou, omdat je ergens anders woont’, ‘Misschien is dat anders bij jongens of bij meisjes?’ … Een formulering die impliciet uitgaat van verschillen, laat meer mogelijkheid om voorgaande stellingen tegen te spreken. En tieners die niet graag spontaan iets zeggen, hebben meer kans om gewoon te beamen als je de vraag stelt: ‘Is dit hetzelfde bij jou?’
Let op lichaamstaal, stiltes, enthousiasme (of niet)
Impliciet wordt er ook veel gecommuniceerd: het enthousiasme waarmee ze al dan niet over iets vertellen, terughoudendheid, zuchten … Het is kan wel aangewezen om dit expliciet te bevragen om na te gaan of jouw aanvoelen juist zit: bijv. ‘Ik voel niet veel enthousiasme over dit idee … Of vergis ik me?’ Soms is het niet duidelijk of het ‘metacommunicatie’ is op het verloop van de sessie of dat het inhoudelijke communicatie is, die relevant is voor het project.
Rek het niet nodeloos
Op een bepaald moment kunnen tieners wat uitverteld zijn. Het kan dan interessant zijn om een nieuwe methodiek of andere invalshoek uit te proberen. Soms komt er dan toch nog iets nieuws. Maar evengoed kom je weer op hetzelfde uit. Dan verslapt de aandacht en heeft het wellicht minder zin om nog lang verder te gaan.