Inspraak organiseren

Afbeelding
Donker blauw

Inspraak organiseren met kinderen is meer dan het werken met leuke methodieken. Doordacht opgezette en zorgvuldig uitgevoerde inspraak zorgt voor kwaliteitsvolle en bruikbare output die je beleid echt kan verrijken. 

Inspraakmoment met kinderen

Wij zetten je op weg met deze negen tips:

  1. Zet inspraak in op cruciale momenten in het beleidsproces
  2. Kies je inspraakmethodieken op basis van wat je te weten wil komen
  3. Geef kinderen inzicht in het beleidskader
  4. Leg alles zo duidelijk mogelijk uit en bied kinderen houvast
  5. Combineer meerdere technieken om alle kinderen te betrekken
  6. Let op non-verbale communicatie
  7. Een goeie grondhouding maakt het verschil
  8. Maak werk van gegevensverwerking en een syntheseverslag
  9. Zorg voor feedback

Denk vooraf na over plaats en opbouw van het inspraaktraject

een kaart

1. Zet inspraak in op cruciale momenten in het beleidsproces

In een ideaal scenario worden kinderen continu betrokken bij de besluitvorming. Dat is in de meeste gevallen niet haalbaar, dus is het belangrijk de momenten van inspraak weloverwogen te kiezen.  Er zijn  twee heel belangrijke momenten in het beleidsproces: 

  • Het eerste is helemaal in het begin van het proces, wanneer de noden en behoeften in kaart worden gebracht. 
  • Het tweede moment is bij de toetsing van een eerste voorstel of voorontwerp, dat dan geëvalueerd kan worden. 

Om impact te hebben, zal de inspraak op deze momenten moeten inspelen. Bekijk daarbij ook goed de verhouding met eventuele participatie van volwassenen. 

In het algemeen heeft participatie alleen zin als kinderen een betekenisvolle bijdrage kunnen leveren aan de uitkomst van een beleidsproces. Het participatiemodel van Shier biedt een goed houvast om in te schatten hoe ver de participatie kan reiken. 

2. Kies je inspraakmethodieken op basis van wat je te weten wil komen

Goede inspraak vertrekt niet vanuit een methodiek, maar altijd vanuit de vraag wat je precies te weten wil komen en wat je dan met die kennis wil gaan doen. Het is een valkuil om te denken: ‘het is iets met kinderen, dus we zoeken meteen een leuke methodiek!’ Er is op zich niets mis met een leuke methodiek, maar zorg ervoor dat je je methodieken eerst en vooral afstemt op basis van je gewenste output. Daarnaast spelen setting, doelpubliek en verwachtingen ook mee in de gekozen methodieken. 

  • Begin bij het begin. Meestal vragen we kinderen in eerste instantie naar belevingen. Wat doen kinderen, wat maken ze mee en hoe geven ze daar betekenis aan? ‘Wat doe je hier allemaal?’, ‘hoe gaat dat dan?’ en van daaruit ‘hoe komt het dat je dit een enge plek vindt?’. We spreken kinderen aan op hun expertise, en die zit het meest vanzelfsprekend in de hoe zij bijvoorbeeld de wijk nu beleven en gebruiken. Van daaruit kunnen ze ook heel goed evalueren wat nu goed en minder goed gaat. 
  • Op basis van het concrete project– een bezoek ter plekke, een blik op een voorlopig ontwerp – is het tijd voor een volgende stap. Wat zijn de ideeën van kinderen voor de heraanleg van de buurt of van de speelruimte? Wat kan er beter: welke wensen hebben kinderen en wat is er dan juist het belangrijkst? Inspiratie over wat er kan en wat er elders al bestaat, kan daarin opnieuw houvast geven. In alle ideeën en wensen kunnen nog prioriteiten en keuzes gemaakt worden. 
  • De gegeven ideeën kunnen kinderen nog uitwerken in eigen voorstellen en samenhang geven in ontwerpen of maquettes. Het is juist omdat er een heel traject werd doorlopen, dat kinderen meer gaan doen dan zomaar een droombeeld formuleren. En daar kan het beleid wat mee. 

Bij de inspraak én de verwerking staat een methodiek nooit op zich. De uitkomst van een methodiek is nooit zomaar ‘wat de kinderen willen’. Het toont wat hun wensen en noden zijn: een concrete opstap om met beleidsmakers in dialoog te gaan. Dat vraagt wel investeren in begeleiden en in het verwerken van wat kinderen tijdens het proces vertellen – de basis van elke kwaliteitsvolle participatie. Die ligt vaak meer in de interactie, in de relaties tussen kinderen, begeleiders, beleid, het terrein zelf… dan in de methodiek op zich. Dat is ook de reden waarom er zo weinig ‘100% gebruiksklare’ technieken zijn waarmee de inspraakkous meteen af is. Dat verlangen, is een illusie.

Geef zorgvuldig vorm aan de inspraakmomenten

 

3. Geef kinderen inzicht in het beleidskader

Elke bevraging heeft een duidelijke in- en uitleiding nodig, zodat kinderen een goed beeld hebben van de doelstellingen van het project. Creëer geen valse hoop: schep geen verwachtingen die niet nagekomen kunnen worden. Verduidelijk uitdrukkelijk wat haalbaar is en welke randvoorwaarden er zijn. Dat is kinderen ernstig nemen: ‘dit kan wel, dit kan niet’. Vertel de kinderen ook dat sommige plannen en hun uitvoering veel tijd vragen. 

 

Als het enigszins mogelijk is, is het betrekken van beleidsmakers, ontwerpers… bij de inspraakmomenten een enorme meerwaarde: kinderen krijgen rechtstreeks van hen te horen wat het project inhoudt, beleidsmakers zien persoonlijk wat kinderen denken en hoe ze redeneren, en de rechtstreekse dialoog tussen kinderen en beleidsmakers of ontwerpers over voorgestelde ideeën en oplossingen kan voor beide partijen buitengewoon verhelderend zijn. 

de uitleg van een inspraaksessie in de klas

4. Leg alles zo duidelijk mogelijk uit en bied kinderen houvast

Verzorg je introductie: leg uit wie je bent, waarom je daar bent, waarover je het wil hebben. Hoeveel keer kom je langs en wat doe je uiteindelijk met alle informatie?

Maak afspraken die ervoor zorgen dat alle kinderen open kunnen en durven vertellen en dat jij van hen kan bijleren. 

Verzorg je instructies. Zorg dat de kinderen begrijpen wat je van hen verwacht: wat ze moeten doen, hoe ze dat moeten of mogen doen, hoeveel tijd ze daarvoor hebben. 

In methodieken en instructies kan je letterlijk en figuurlijk houvast inbouwen. Stickers, kaartjes, uit te knippen icoontjes, een opdracht zoals foto’s nemen: ze geven kinderen iets om vast te pakken, om te doen, en kinderen wéten zo ook wat te doen. 

Een leeg, wit blad is een lastig vertrekpunt voor concrete ideeën. Inhoudelijk houvast kan je geven door inspirerende beelden te tonen, kinderen te laten kiezen uit verschillende elementen, hen te laten tekenen op een (misschien wel door henzelf gemaakte) foto van een bestaande plek om te tonen hoe het daar beter kan. Die sturing vraagt wel aandacht, want er zit een belangrijke valkuil in. Er komt een nieuwe speeltuin en de kinderen mogen kiezen welke speeltoestellen er komen. Participatie wordt dan een soort catalogus – ‘duid drie speeltuigen aan die je leuk vindt!’ – en dat levert nooit de beste inspraak op. Want wezenlijk gaat het over wat achter de keuzes, ideeën of voorstellen van kinderen ligt. En daar maakt dialoog het verschil.

5. Combineer meerdere technieken om alle kinderen te betrekken

Elke inspraaktechniek vraagt bepaalde vaardigheden van de deelnemers: bij een kaartoefening moet je goed kunnen ruimtelijk denken, bij groepsgesprekken moet je verbaal sterk zijn, bij een teken- of collage-oefening moet je overweg kunnen (en durven) met teken- en knutselmateriaal. Bouw dus voldoende variatie in, zodat iedereen aan bod kan komen.

Breng variatie in de methodieken en tools die je gebruikt. Een goede sessie speelt in op de diversiteit aan capaciteiten en voorkeuren van kinderen. Sommigen zijn mondig en brengen hun mening vlot onder woorden in een grote groep. Anderen verkiezen kleine groepjes of voelen zich het veiligst bij individuele opdrachten. 

Daarbij komt dat de aandacht na een kwartiertje afzwakt. Een nieuwe opdracht kan de motivatie weer aanwakkeren. Voorzie dus voldoende methodieken die voldoende gevarieerd zijn.

Bied houvast. Werk met materiaal dat tot de verbeelding spreekt en maak zo het gespreksonderwerp tastbaar. Dat kan op grootse manieren, maar zit vaak in kleine dingen. Zo zijn we bijvoorbeeld fan van post-its. Ze zijn klein en kleurrijk, je kan er dingen op schrijven, ze ergens op kleven, verhangen en er ludieke vormpjes mee maken. 

Een valkuil is groepsdruk en het overwicht van mondige kinderen. In de gesprekken over belevingen of meningen is dat met de nodige aandacht van de begeleider wel op te vangen. Maar als kinderen onderling gaan discussiëren over welke keuzes of voorstellen het gaan halen, is dat een pak moeilijker. Daarom gebruiken we ook individuele methodieken en maken we tijd om van elk kind te horen waarom het bijvoorbeeld bepaalde keuzes maakte. 

gesprek tijdens een inspraaksessie

6. Let op non-verbale communicatie

Ook non-verbale communicatie kan boekdelen speken. Kinderen reageren vaak direct en heel spontaan wanneer je iets voorstelt: hun enthousiasme, stilzwijgen of gelatenheid is een eerste goede indicatie. Grijp die eerste spontane reacties aan om door te vragen. Beperk jouw observaties ook niet alleen tot de formele spreekmomenten. In het onderling gefluister van kinderen tijdens de sessie kan je heel wat waardevols horen. 

 

7. Een goeie grondhouding maakt het verschil

Ook als je heel duidelijke en afgelijnde (beleids)vragen hebt, is een open en respectvolle houding cruciaal. Neem kinderen ernstig – alle vorige tips brengen dat al in de praktijk – door zo goed mogelijk de beleving en meningen van de kinderen en jongeren zelf te capteren. Zet je eigen, volwassen vooronderstellingen, oordelen en categorieën zoveel mogelijk tussen haakjes. Geef kinderen ruim de kans om jou letterlijk of figuurlijk rond te leiden in hun leefwereld. 

Maak vanaf het begin duidelijk dat jij er bent om naar de kinderen of jongeren te luisteren en van hen te leren. Creëer een sfeer waarbij ze luisteren naar elkaar, maar waarin spontane reacties zeker kunnen. Toon dat je luistert: ga in op antwoorden of kom er nadien nog op terug. Synthetiseer wat kinderen hebben gezegd en toets af of dat klopt. Bouw expliciet ruimte in voor andere meningen: “Ik kan me voorstellen dat dit voor jou anders is?” 

Ga aan de slag met de resultaten

notities van een inspraaksessie

8. Maak werk van gegevensverwerking en een syntheseverslag

Doe na afloop van de inspraaksessie(s) iets met de informatie die je kreeg. Het blijft een voorrecht dat kinderen ons informatie willen schenken. Stel daarvoor iets in de plaats. Maak tijd voor een goeie vertaalslag naar het beleid: koppel de resultaten van de inspraak – de stem van kinderen en jongeren – aan de beleidsvraagstukken die voorliggen. Zet dus de stap van losse quotes naar inzichten uit het inspraakproces en zo naar samenhangende aanbevelingen en een onderbouwd beleidsadvies of concrete beleidsacties. 

 

9. Zorg voor feedback

Bij participatietrajecten hoort ook de terugkoppeling naar kinderen en jongeren na afloop van de inspraakmomenten: wat is er uiteindelijk gerealiseerd, hoe heeft de inspraak impact gehad, welke vervolgacties zijn er nog? Deze stap is niet altijd evident. Er is niet altijd budget voor voorzien binnen het participatietraject, en soms maakt de lange doorlooptijd van projecten (bijvoorbeeld bij ruimtelijke plannen) een terugkoppeling niet vanzelfsprekend. Toch betrekt een dergelijk terugkoppelmoment kinderen en jongeren op een volwaardige manier bij beleidsacties. Die terugkoppeling kan zeker ook afgesproken én uitgevoerd worden door de overheid of organisatie zelf.

inspraakmoment met tieners