Een kindvriendelijk ruimtelijk beleid gaat verder dan het beheer en onderhoud van speeltuintjes. Inzetten op een kindvriendelijke omgeving is werk maken van een omgeving waarin kinderen zich kunnen uitleven en ontplooien, elkaar kunnen ontmoeten en zelfstandig op pad kunnen. Het gaat om plekken waar kinderen kunnen spelen en bewegen zoals speel- en sportterreintjes, maar ook om publieke ruimten zoals parken en pleinen, en voorzieningen zoals scholen, jeugdbewegingen, sportclubs ... Kortom, kindvriendelijk ruimtelijk beleid vertrekt vanuit het kindweefsel van kinderen.
Een kindweefsel is een netwerk dat alle informele en formele (speel)plekken omvat, en de routes die deze plekken verbinden. Het concept gebruiken we om kwaliteitsvolle speelruimte en kindgerichte publieke ruimte te realiseren. Door kaarten te maken van de plekken en verbindingen die kinderen vaak gebruiken, wordt het perspectief van kinderen 'ruimtelijk vertaald'. Op die manier kunnen we het bestaande en het gewenste kindweefsel van een gebied uittekenen en vorm geven.
Een speelweefsel-concept omvat meerdere deelconcepten:
Een kindweefsel is een netwerk
Een kindweefsel is een ruimtelijk netwerk van álle plekken die voor kinderen belangrijk zijn. Dit gaat zowel om formele speelruimten (bv. speelterrein, speelbos, skatepark …) als informele (speel)plekken (bv. plein, park, bos) en voorzieningen (bv. school, jeugdbeweging, sportsite …). Naast de plekken op zich spelen ook de verbindingen ertussen (bv. trage wegen, woonstraten …) een cruciale rol in het weefsel. In een hecht kindweefsel is het geheel méér dan de som der delen.
Een kindweefsel is gelaagd
Het kindweefsel is een ruimtelijk netwerk dat interageert met alle aspecten van de omgeving zoals mobiliteit, wonen, groen, voorzieningen, enz. Een kwalitatief kindweefsel is geënt op diverse ruimtelijke ‘lagen’ zoals de groenblauwe structuur, de woonstructuur, de mobiliteitsstructuur, de recreatieve structuur ... Het kindweefsel is dus een planningslaag die geïntegreerd wordt in planning en ontwerp.
Een kindweefsel is gebaseerd op inspraak
Het betrekken van kinderen bij de opmaak van het kindweefsel is evident. Zij kennen de noden op vlak van spelen, ontmoeten en mobiliteit in hun gemeente of stad het best. Inspraak gebeurt bij voorkeur op twee strategische momenten in het proces:
- Bij de analyse van het bestaande kindweefsel: in kaart brengen van belangrijke (speel)plekken en kindroutes.
- Bij de opmaak van het gewenste kindweefsel: oplossingen en ontwerpvoorstellen voor bepaalde plekken in het weefsel.
Een kindweefsel betrekt alle actoren
De opmaak van een kindweefsel vertrekt vanuit een integrale benadering op de ruimte en mobiliteit. Daarom is het van belang om – van bij het begin – sleutelfiguren vanuit alle beleidsdomeinen (ruimtelijke ordening, mobiliteit, welzijn, jeugd, sport ...) te betrekken, zowel ambtelijk als politiek. Zij dragen – elk vanuit hun expertise en in overleg met anderen – bij aan de realisatie van het kindweefsel.
Een kwalitatief kindweefselbeleid kijkt verder dan de individuele speel- en sportterreintjes van de stad of gemeente. Het is een integraal beleid dat rekening houdt met het geheel van plekken én verbindingen die er voor kinderen toe doen.
Met de 8-80-800 vuistregels kan je in de praktijk werk maken van ruimtelijke speel-, beweeg- en ontmoetingskansen. Op die manier helpen ze om een kwalitatief kindweefsel uit te bouwen. Deze vuistregels kan je bijvoorbeeld als uitgangspunten gebruiken voor het kindweefselplan in jouw eigen stad of gemeente. In het Handboek kindweefsel vind je een uitgebreid stappenplan terug om zelf zo'n kindweefselplan op te maken.