Kindvriendelijke woonbuurten

Afbeelding
Achtergrond blauw cirkel

Nieuwe woonontwikkelingen zijn een kans om kindvriendelijke publieke (speel)ruimte te realiseren. Hieronder volgen 13 principes voor planning en inrichting van kindvriendelijke woonprojecten. Deze principes kunnen als uitganspunt dienen voor alle nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen binnen een stad of gemeente.

 

De 13 principes kunnen meegegeven worden bij de eerste contacten met verkavelaars en projectontwikkelaars. Belangrijk is dat gemeentelijke diensten samen een proces doorlopen en de principes mee uitwerken en onderschrijven, op maat van de gemeente. Indien dergelijk document goedgekeurd wordt door het schepencollege en/of de gemeenteraad gaat er ook een zekere autoriteit en legitimiteit van uit. 

Ook binnen een stedenbouwkundige verordening kan naar dit soort kwalitatieve richtlijnen verwezen worden. De principes zouden zelfs integraal deel kunnen uitmaken van een stedenbouwkundige verordening, als bijlage of binnen een richtinggevend gedeelte.

13 principes voor kindvriendelijke woonprojecten

  1. Het project wordt goed ingepast in de omgeving en in het bestaande kind- en tienerweefsel. 
  2. Er is voldoende publieke ruimte, in verhouding tot de verwachte bevolkingsomvang.
  3. Publieke ruimte wordt zo veel mogelijk gebundeld en verbonden in een netwerk. Grote ruimtes liggen centraal en worden geënt op bestaande structuurbepalende ruimtelijke elementen, die ook speel- of belevingspotentie hebben.
  4. Er wordt radicaal gekozen voor een autoluwe woonwijk en een doorgedreven toepassing van het STOP-principe. 
  5. Woningen zijn zo veel mogelijk gericht naar het publieke domein. Dus zo weinig mogelijk achterkanten en zijkanten zijn naar de publieke ruimte gericht. Er is een goede zichtrelatie tussen woning en straat.
  6. Er wordt expliciet nagedacht over het 'voorerf': d.i. de tussenzone van ca. 1 à 2 meter tussen woning en straat. 
  7. Semi-openbare ruimtes zijn niet volledig ingesloten door bebouwing. Er is minstens een brede corridor die de verbinding maakt tussen het openbaar domein en de semi-openbare ruimte. Er wordt goed nagedacht over de relatie publiek-privaat, rekening houdend met de sociale context.  
  8. Bij meergezinswoningen situeren woningen voor jonge gezinnen zich bij voorkeur niet boven de 4de verdieping. Er is oogcontact mogelijk tussen de woongelegenheid en het publieke domein. Er is ook voldoende buitenruimte (terrassen, buitengalerijen, semi-private ruimte) en er zijn een beperkt aantal woongelegenheden per lift.  
  9. Groen is meer dan 'zichtgroen' en is ook (avontuurlijk) 'gebruiks- en speelgroen': er zijn paadjes, gazon, voldoende 'robuust' groen om in te spelen. Er zijn belevingsplekken: erfgoed, reliëf, landschap en water worden aangewend als speelpotentie. 
  10. Speelruimte wordt ingeplant op goed bereikbare strategische plekken in de publieke ruimte en in het kindweefsel, bij voorkeur aan voorkanten van woningen.
  11. De speelruimte wordt verweven met de publieke ruimte en 'loopt over' in een plein, groene ruimte, rustige straat,…
  12. Speelruimtes hebben een goed basisontwerp, met een goede zonering en indeling ('actieve' vs. 'rustige' zones), met reliëf, groen, water, landschapselementen ... 
  13. Speelruimtes zijn voldoende uitgerust met speeltoestellen, aangepast aan de grootte van de verkaveling, aan de speelnoden van de wijk, de draagkracht van het terrein en bijzondere doelgroepen (meisjes, kinderen met een beperking ...).

Praktijkvoorbeelden: