Wat is een tienerweefsel?

Afbeelding
Achtergrond blauw cirkel

Een ‘tiener- of jongerenweefsel’ is een krachtig concept om ruimte voor tieners concreet te maken in jouw gemeente. Dat doe je in dialoog met alle diensten en vanuit participatie met tieners en jongeren. Zo maak je werk van een doordacht en geïntegreerd ruimtelijk beleid voor tieners en jongeren, op korte én lange termijn. Met het concept ‘tienerweefsel’ spreek je de taal van de planners. Dat betekent: met kaarten in de hand én met veldinformatie die je met/bij tieners verzameld hebt.
 

Wat is een ‘tienerweefsel’? 

Een ‘tienerweefsel’ (of ruimer: een ‘jongerenweefsel’) is een geheel van formele én informele plekken die voor tieners belangrijk zijn, met hun onderlinge verbindingen. 

Het is een specifieke planningslaag (een kaart dus), vanuit tieners zelf gedacht en met een eigen interne ‘logica’. Tegelijk is die laag niet los te zien van andere planningslagen voor publieke ruimte, zoals de groenstructuur, mobiliteit, sport en recreatie ... 

Het tienerweefsel moet dus geïntegreerd worden in die andere planningslagen. Maar het is verhelderend én noodzakelijk om eerst te kijken hoe het tienerweefsel er juist uitziet, vanuit inspraak en veldwerk.

Figuur met 4 concepten voor een tienerweefsel

Is een tienerweefsel anders dan een kind- en tienerweefsel?

Het idee van een ‘speelweefsel’ of ‘kindweefsel’ is reeds goed gekend en verspreid. De achterliggende ideeën voor een kind- en tienerweefsel zijn ook dezelfde: het netwerkidee, de gelaagdheid, de methodologie, het denken vanuit schaalniveaus.

Toch zijn er een aantal belangrijke verschillen tussen een kind- en tienerweefsel:

  • De actieradius van tieners is groter. Als de mogelijkheid er is, gaan tieners en jongeren graag buiten de grenzen van hun wijk. Om een tienerweefsel in kaart te brengen moet je dus op een hogere, vaak zelfs regionale schaal werken. Deel van het tienerweefsel zijn ook het winkelgebied in de aanliggende stad, een recreatiedomein waar je nog met fiets en openbaar vervoer naartoe kan, het aantrekkelijke skatepark in de buurgemeente …
  • Tieners zijn meer gericht op bovenlokale ruimtes. Het gaat dus niet alleen over de inrichting van straat- en buurtpleintjes. De meeste tieners hebben interesse in grote, aantrekkelijke plekken waar veel leeftijdsgenoten en andere mensen komen. Kleinere ruimtes zijn meer aanvullend en zijn eerder ‘stapstenen’ binnen het grotere geheel.
  • In een tienerweefsel is het belang van openbaar vervoer groter. Binnen een kindweefsel zijn tram- en bustrajecten soms onoverkomelijke barrières. Voor tieners zijn bus en tram net verbindend. Kwalitatief openbaar vervoer zorgt voor een veel grotere autonome mobiliteit. Om aan een tienerweefsel te werken, zal je je dus ook moeten mengen in discussies over openbaar vervoer, bijv. binnen de vervoersregio’s.

Eigenlijk zijn kind- en tienerweefsel twee aparte lagen, die afzonderlijk in kaart moeten worden gebracht. Je kan ze daarna wel op elkaar leggen en nagaan waar er overeenkomsten of conflicten zijn. Dan kan je ook bewuste keuzes maken en rekening houden met de noden van verschillende doelgroepen. Daarmee geef je een ruimtelijke vertaling aan fenomenen zoals claimgedrag.

Houd er rekening mee dat er eigenlijk vaak meerdere ‘tienerweefsels’ zijn: elke subcultuur of subgroep heeft zo haar eigen favoriete plekken en soms zijn er zelfs conflicten tussen groepen tieners. Denk maar aan het verschil tussen tienerjongens en -meisjes. Niettemin kan je al die ‘tienerweefsels’ samenbrengen op één kaart, zodat je in één oogopslag een beeld hebt van de belangrijkste elementen binnen de ruimtelijke leefwereld van tieners in jouw gemeente of regio.

Kindweefsel vs. Tienerweefsel

Hoe ontdek je waar tieners graag komen?

De eerste stap bestaat erin het bestaande tienerweefsel met participatie van tieners in kaart te brengen. De uitdaging is om, op basis van observaties, inspraak en participatie, na te gaan welke voorzieningen betekenis hebben voor tieners. Die relevante elementen inventariseer je en breng je in kaart als het ‘bestaande tienerweefsel’. Zo’n bestaand tienerweefsel omvat plekken en voorzieningen enerzijds, en routes en verbindingen anderzijds. De kans is dus groot dat onderstaande elementen rol kunnen spelen.

Plekken en voorzieningen:

  • Wat zijn de plekken waar veel tieners komen? Hoe waarderen tieners deze plekken?
  • Waar liggen de formele jeugdvoorzieningen en waar komen tieners vaak informeel samen?
  • Welke plekken functioneren nu al goed voor tieners? Welke niet?
  • Welke locaties hebben veel potentie om tienergericht uit te bouwen?

Routes en verbindingen:

  • Wat zijn belangrijke school- en vrijetijdsroutes voor tieners?
  • Hoe zit het met de bereikbaarheid van de formele en informele jeugdvoorzieningen?
  • Waar zitten gevaarlijke punten en barrières? Hoe ervaren tieners dit?
  • Waar zit er potentie om verbindingen te realiseren die interessant zouden kunnen zijn voor tieners?

Uiteraard zijn tieners zelf het best geplaatst om antwoord te geven op bovenstaande vragen. Je moet dus de dialoog aangaan met tieners: in secundaire scholen, via straatinterviews, via het jeugdwerk of online. Dat kan door bijv. inspraakmethodieken te gebruiken, maar ook door observaties op het terrein of het bevragen van jeugdwerkers kan je veel te weten komen.

Naast rechtstreekse input vanuit tieners, zijn er een aantal typische planningslagen die belangrijk blijken voor tieners en jongeren. Je kan die ook zelf, of in samenwerking met de GIS-medewerker en de dienst ruimtelijke planning, in kaart brengen als ‘achtergrond’ voor een tienerweefselkaart. Je kan ook zelf een eerste oefening doen met de website InKaart.be.

Tieners op het 'Dijleplein' in Mechelen

Verder lezen?

Hoe ga je met het tienerweefsel aan de slag om een verschil te maken? Hoe ziet een tienervriendelijke ruimte eruit?